Schopenhauer: een wereldcompositie in mineur

.........................................................

de eerste frase van Chopins Nocturne in Bes klein, Opus 9 - 1. Larghetto

de eerste frase van Chopins Nocturne in Bes klein, Opus 9 - 1. Larghetto

1 inleiding – Schopenhauer

Arthur Schopenhauer werd in 1788 in Danzig geboren als zoon van een rijke koopman. Arthurs vader overleed op jonge leeftijd, en van de erfenis die tussen Arthur, zijn zus Adele en zijn moeder Johanna verdeeld werd heeft hij zijn gehele leven in zijn levensonderhoud kunnen voorzien. Dankzij deze erfenis heeft Schopenhauer zijn leven aan de filosofie kunnen wijden terwijl hij eigenlijk was voorbestemd zijn vader op te volgen als koopman.

Schopenhauers proefschrift Over de viervoudige wortel van de wet van de toereikende grond (Ueber die vierfache Wurzel des Satzes vom zureichenden Grunde, 1813) handelt over de wet van de toereikende grond, de theorie dat niets in de wereld zonder grond is: voor alles wat gebeurt is een oorzaak aan te wijzen.

Na een tweede kortere verhandeling (over de kleurenleer) verschijnt in 1819 Schopenhauers hoofdwerk: De wereld als wil en voorstelling (Die welt als wille und vorstellung). Het werk wordt aanvankelijk vrijwel niet verkocht en gelezen, en de colleges die Schopenhauer aan de universiteit van Berlijn over zijn eigen boek geeft worden vrijwel niet bezocht, terwijl bij Hegel de zalen bomvol zitten.

Schopenhauer brengt in totaal drie drukken uit van zijn hoofdwerk, waarbij hij teksten uitbreidt en zelfs een tweede deel toevoegt dat het eerste nader moet uitleggen. Ook de andere werken die Schopenhauer in zijn verdere leven schrijft zijn gericht op het uitleggen van De wereld als wil en voorstelling. Pas in de laatste jaren van zijn leven krijgt Schopenhauer langzaamaan de erkenning die hij zo lang zocht. Wat is De wereld als wil en voorstelling? 1

2 een filosofisch systeem

In De wereld als wil en voorstelling geeft Schopenhauer een beschrijving hoe de wereld in elkaar zit. Het is een compleet en samenhangend systeem gebaseerd op de tegenstelling voorstelling — wil.

De voorstelling, de wereld zoals wij die in het dagelijks leven kennen, is volgens Schopenhauer slechts de buitenkant van de wereld. De wereld als voorstelling is de wereld als materie en oorzakelijkheid, de wereld waarin alle dingen binnen de wet van de toereikende grond vallen. De voorstelling valt uiteen in een subject (datgene wat alles kent en door niets gekend wordt) en object (datgene wat gekend wordt): de wereld als voorstelling bestaat enkel als object voor een subject, dat in die zin de drager van de wereld genoemd kan worden.

Maar, zegt Schopenhauer, we moeten niet vergeten dat de wereld ook wil is. De wil is de eeuwige oerkracht, waarvan de voorstelling slechts de spiegel is. De wil is de ‘binnenkant’ van de wereld, dat wat Kant volgens Schopenhauer bedoelde toen hij over het ding-an-sich sprak. Van de wil kunnen we via de voorstelling geen kennis hebben.

Omdat de causaliteit alleen geldig is binnen de wereld van de voorstelling kan bij het onderzoeken van de relatie tussen wil en voorstelling niet gesproken worden in termen van oorzaak en gevolg. Maar wat is dan de relatie tussen wil en voorstelling? Geen van beide is volgens Schopenhauer fundamenteler of echter dan de ander. Er kan dus niet gezegd worden dat de wil ten grondslag ligt aan de voorstelling of omgekeerd, hoewel dit precies is wat vele filosofen voor en na Schopenhauer hebben gedaan. Schopenhauers radicale vernieuwing is dat hij geen kant kiest voor de voorstelling of wil: het idealisme (dat de voorstelling als afhankelijk van de wil beschouwt) en het realisme (dat de wil als afhankelijk van de voorstelling beschouwt) zijn volgens Schopenhauer beide incorrect, want er is geen afhankelijkheidsrelatie tussen wil en voorstelling mogelijk. Volgens Schopenhauer bezit de wereld zowel empirische realiteit (de wereld is als voorstelling volkomen reëel) als transcendentale idealiteit (de wereld van de objecten is voorstelling en dus door het subject bepaald).

3 één enkele gedachte

De wereld als wil en voorstelling is Schopenhauers oplossing van het wereldraadsel. Schopenhauer presenteert de lezer steeds opnieuw een uitwerking van ‘één enkele gedachte’, zoals hij het in het woord vooraf bij de eerste druk noemt.

Deze gedachte wordt in elk van de vier boeken van het eerste deel onder een ander perspectief uitgewerkt. Het wereldraadsel houdt in dat we via de wereld van de voorstelling nooit het wezen van de wereld, de wil, kunnen kennen, iets dat door alle eerdere filosofen is geprobeerd. We worden volgens Schopenhauer misleid door de sluier van maya, een term die hij uit het Hindoeïsme overneemt.

Maar kunnen we dan helemaal niets zeggen over de wil? Volgens Schopenhauer in ieder geval niet met behulp van de wetenschappen, want deze houden zich alleen bezig met de wereld als voorstelling, wat Schopenhauer hen overigens niet aanrekent.

Er is, zo zegt Schopenhauer, een uitweg uit deze impasse, wanneer we de filosofische waarheid bij uitstek (Schopenhauers ene gedachte) inzien. Deze waarheid houdt in dat lichaam en wil één zijn, en het we het lichaam niet alleen als voorstelling kennen, maar ook als onmiddellijk object. Elke uiting van de wil is meteen en onherroepelijk ook een beweging van het lichaam. A priori is het lichaam wil. A posteriori is de wil lichaam.

De wil is volgens Schopenhauer geen teken voor een onbekende grootheid, zoals in de negatieve theologie, maar datgene waarvan wij ons onmiddellijk bewust zijn. De afstand tussen wil en voorstelling is schijn. Via het lichaam als onmiddellijk object kunnen we het wezen van de wereld op het spoor komen, omdat er een analogie mogelijk is met onszelf en de gehele wereld van de voorstelling: de voorstelling is de wil. Alle objecten zijn aan één kant voorstelling en aan de andere kant wil.

4 een literair kunstwerk

Wat kan er nu gezegd worden over de relatie tussen wil en voorstelling? Schopenhauer noemt deze relatie tussen wil en voorstelling objectivatie. De wil toont zich in verschillende gradaties als de objecten van de wereld van de voorstelling. De voorstelling is echter onvolmaakt, en nooit de volledige, adequate objectivatie van de wil. Om de onmiddellijke, adequate objectivatie van de wil aan te duiden neemt Schopenhauer Plato’s term Idee over.

De Ideeën zijn de trappen van objectivatie, een soort tussenvormen tussen wil en verschijnselen. Op de allerlaagste trap is er de Idee van de natuurkracht of causaliteit: de anorganische natuur. Daarboven vindt men in steeds hogere trappen van objectivatie de planten, dieren en tenslotte de mens. Iedere hogere trap van objectivatie veronderstelt de lagere trappen.

Maar de Ideeën zijn niet voor ieder mens zichtbaar, want de gemiddelde mens is gebonden aan de wil en kan zijn blik slechts richten op objecten die de eigen wil kunnen bevredigen. Het aanschouwen van de Ideeën is voorbehouden aan geniale individuen, de kunstenaars. Waar Plato een lage waarde aan de kunst toekent, omdat het in de kunst gaat om het maken van een kopie (het kunstwerk)

van een kopie (de wereld), kent Schopenhauer juist een hoge waarde aan de kunst toe, omdat het kunstwerk het resultaat is van het aanschouwen van de Ideeën, die de volmaaktere objectivaties van de wil zijn dan de voorstellingen zijn. De kunstenaar leent zijn geniale oog aan de toeschouwer, die niet het vermogen bezit om de Ideeën te aanschouwen, maar om kunst te kunnen waarderen wel een vaag besef van het bestaan van de Ideeën moet hebben.

Schopenhauer sluit zich aan bij een traditie van esthetische beschouwing die kunst met contemplatie verbindt. Bij het aanschouwen van de Ideeën ondergaan zowel het subject als het object een transformatie, waarbij het subject zich door het laten varen van de alledaagse manier van beschouwen losrukt van de wil en een zuiver subject van het kennen wordt, het object een Idee wordt, en er een eenheid ontstaat van kenner en gekende.

Vervolgens geeft Schopenhauer zijn indeling van de kunsten analoog aan de trapsgewijze ordening van de Ideeën: op de laagste trap zijn er de bouwkunst en de hydraulica die zich bezighouden met de esthetische ordening van de meest ruwe materialen. Analoog aan steeds hogere trappen van objectivatie volgen vervolgens de tuinarchitectuur, landschapsschilderkunst, dierenschilderkunst en -beeldhouwerkunst, de historieschilderkunst en de beeldhouwkunst waarbij mensen worden afgebeeld, en tenslotte de dichtkunst met de tragedie als haar summum, omdat daarin de hoogste Idee, de Idee van de mens wordt uitgebeeld. De uitbeelding van de Idee van de mens is dus het hoogste doel van de kunsten.

Een bijzondere passage in De wereld als wil en voorstelling is die waarin Schopenhauer de status van de muziek bespreekt. De muziek heeft volgens Schopenhauer geen plaats binnen de hiërarchie van de kunsten, omdat zij geen reproductie van de Ideeën is, maar een directe kopie van de wil zelf:

“De muziek is namelijk net zo’n onmiddellijke objectivatie en kopie van de hele wil, als de wereld dat zelf is, ja als de Ideeën het zijn, de Ideeën waarvan de menigvuldige verschijning de wereld van de afzonderlijke dingen vormt.” (WWV, p389)

Dat de muziek net als de wereld als voorstelling de wil zelf afbeeldt en niet zoals de overige kunsten de Ideeën, zorgt er voor dat de muziek ons veel meer aangrijpt dan alle andere kunstvormen:

“Juist om die reden is de uitwerking van de muziek zoveel krachtiger en indringender dan die van andere kunstvormen, want die laatste hebben het alleen over de schaduw, terwijl de muziek over de zaak zelf gaat.” (WWV, p389)

Nu duidelijk is dat de wil zich objectiveert in zowel de Ideeën als de muziek stelt Schopenhauer de volgende analogie op tussen de voorstelling en de muziek:

“Ik herken in de laagste tonen van de harmonie, in de grondbas, de laagste trappen van de wilsobjectivatie, met andere woorden de anorganische natuur, de massa van de planeet. […] Deze massa is dus tegelijkertijd drager en oorsprong van heel de natuur; welnu, de hogere tonen staan in precies dezelfde relatie tot de grondbas.” (WWV, p389/90)

want

“Zij klinken altijd zachtjes mee wanneer de grondtoon wordt aangeslagen” (WWV, p389)

Schopenhauer herkent in de grondtoon de pure materie die de basis vormt van al het andere leven. Net zoals de grondtoon de boventonen laat meeklinken is het hogere leven opgebouwd uit de pure materie. De hoogste vorm van dat leven is de mens, die analoog is aan de melodie:

“In de melodie ten slotte, in de hoge, zingende, eerste stem, die het geheel leidt en met ongebreidelde vrijheid, in ononderbroken, betekenisvolle samenhang van één gedachte van begin tot einde voortschrijdt en één geheel vormt, herken ik de hoogste trap van de wilsobjectivatie, het bedachtzame leven en streven van de mens.” (WWV, p391)

In deze analogie verraadt zich het literaire vakmanschap van Schopenhauer. De wereld als wil en voorstelling is niet alleen een filosofisch systeem gebaseerd op één enkele gedachte, maar bovendien zeer helder geschreven en doorspekt met allerhande schitterende citaten uit de wereldliteratuur. Schopenhauer vervolgt de analogie door het gehele menselijke leven met een muziekstuk te vergelijken:

“Het wezen van de mens bestaat hierin dat zijn wil streeft, vervolgens bevredigd wordt, en weer opnieuw streeft, en dat in voortdurende herhaling; ja, zijn geluk en welzijn is niets anders dan de snelle overgang van wens naar bevrediging en van bevrediging naar nieuwe wens; het uitblijven van bevrediging betekent immers lijden, het uitblijven van een nieuwe wens uit zich in een ijdel verlangen, languor, verveling.” (WWV, p392)

Het leven is een voortdurende overgang tussen lijden, verveling en weer lijden, en dat in een eeuwige herhaling. Op dezelfde manier dwaalt ook de melodie van de grondtoon weg en er weer naar terug. En is een muziekstuk waarbij enkel de grondtoon herhaald wordt niet enorm saai? 2

“In diezelfde zin is het wezen van de melodie een voortdurend afwijken, afdwalen van de grondtoon op duizend verschillende wegen, niet alleen naar de harmonische intervallen – de terts en de dominant -, maar ook naar elke andere toon, naar de dissonante septiem en naar de extreme intervallen; maar steeds volgt er een uiteindelijke terugkeer naar de grondtoon.” (WWV, p392)

Volgens Schopenhauer komt al het willen voort uit behoefte, maar zodra de behoefte bevredigd wordt ontstaat er een nieuwe behoefte of vervelen we ons. Echte rust kan er pas komen wanneer we de dingen los van de wil beschouwen. Kunst kan ons volgens Schopenhauer helpen aan de dienstbaarheid aan de wil te ontsnappen, maar uiteindelijk verlost de kunst ons slechts tijdelijk omdat de contemplatie ook weer ophoudt, bijvoorbeeld omdat lichamelijke behoeften opspelen en de wil weer in beweging wordt gezet.

5 een handleiding

Wat moeten we dan doen? De wereld als wil en voorstelling is geen handleiding voor de deugd, want de deugd is volgens Schopenhauer niet te leren: we kunnen de wil niet veranderen, maar slechts leren kennen hoe de wil zich in ons eigen karakter manifesteert. In ons handelen leren we ons eigen karakter kennen. Dat we het willen op het kennen zouden kunnen baseren (zoals bijvoorbeeld Descartes en Spinoza doen) is volgens Schopenhauer onzin; we moeten juist leren kennen wat we willen.

Vrijheid is volgens Schopenhauer een negatief begrip: het is de afwezigheid van noodzakelijkheid. Omdat het individu, zoals iedere voorstelling, valt binnen de wet van de toereikende grond is er voor het individu dan ook geen vrijheid mogelijk. Vrijheid is alleen voorbehouden aan de wil. Het individu bezit wel keuzevrijheid: de mogelijkheid tot het afwegen van motieven in de vorm van abstracte gedachten. Uiteindelijk volgt de gemaakte keuze echter noodzakelijk uit de werkzame motieven.

Ook geluk is een negatief begrip, namelijk de afwezigheid van een gemis (en het daaruit voortkomende leed). Niet alleen volgen de verlangens elkaar in hoog tempo op, vaak blijken verlangens zodra ze vervuld zijn veel minder belangrijk te zijn dan ze leken te zijn toen ze nog niet vervuld waren. Het mensenleven is heen en weer geslingerd worden tussen leed en verveling, maar uiteindelijk heeft het leven niet voldoende te bieden om de wil te bevredigen. Daarom blijven er volgens Schopenhauer twee mogelijkheden over: bevestiging of ontkenning van de wil.

Bevestiging van de wil is bevestiging van de lichamelijke verlangens, het toegeven aan de lust. Het probleem hierbij is dat dit lijdt tot egoïsme, want terwijl het individu zichzelf onmiddellijk ervaart als de wil, kent hij de andere individuen slechts als voorstellingen. Dit lijdt tot onrecht wanneer de ene persoon in zijn wilsbevestiging de grens van andermans wilsbevestiging schendt, met als ultiem voorbeeld kannibalisme. De staat en het strafrecht dienen om het onrecht tegen te gaan, door grenzen aan de wilsbevesting te stellen. Gebeurt dat niet dan volgt onvermijdelijk een Hobbesiaanse oorlog van allen tegen allen. De paradox is dat het individu niet inziet dat hij in feite tegen zichzelf strijdt, omdat alle individuen de voorstelling van de ene wil zijn.

De andere optie is ontkenning van de wil. Dit vereist het doorzien van de sluier van maya: beseffen dat alle individuen slechts voorstellingen van de ene wil zijn. Daarna is het mogelijk om jezelf in de ander te herkennen, en je eigen lot in het lot van de wereld. Dit is volgens Schopenhauer de kern van de liefde, ofwel het medelijden. Alle liefde is medelijden: de kennis van andermans lijden begrijpen vanuit je eigen lijden. Liefde die geen medelijden is, is volgens Schopenhauer in werkelijkheid lust en dus egoïsme. Voor diegenen die niet in staat zijn de sluier van maya te doorzien, is deze waarheid vertaald in mythen en geloofsleer.

6 conclusie – niets

De werkelijke ontkenning van de wil gaat echter verder dan de liefde, die slechts het gezamenlijk ondergaan van het leed is. Het leven is een muziekstuk in mineur, dat volgens Schopenhauer het luisteren niet waard is en nooit een bevredigend einde zal hebben. Schopenhauer pleit daarom voor de ware heiligheid, de verlichting met als doel de verniet(ig)ing van de wil en daarmee verlossing van de wereld. Deze heiligheid is een vorm van ascese waarin een toestand van resignatie bereikt wordt. Het is het vrijwillig afstand doen, waarbij alles tot rust komt. Het resultaat is een tegenspraak van de wil met zichzelf, waarna deze in zekere zin ophoudt te bestaan. Zonder voorstelling geen wil, geen wereld en geen muziek. Wat rest is de stilte van het niets.

Lijst van gebruikte afkortingen

  • WWV Arthur Schopenhauer (2008). De wereld als wil en voorstelling, vert. H. Driessen. Wereldbibliotheek.

Bibliografie

  • Safranski, Rüdiger (2006). Arthur Schopenhauer. De woelige jaren van de filosofie. Olympus.
  • Schopenhauer, Arthur (2008). De wereld als wil en voorstelling, vert. H. Driessen. Wereldbibliotheek.

Voetnoten

  1. Dit artikel behandelt de derde druk van het eerste deel van De wereld als wil en voorstelling. Dit eerste deel bestaat uit vier boeken.
  2. Hier is tegen in te brengen dat in de minimalistische muziek herhaling juist weer op unieke wijze gebruikt wordt om een contemplatieve houding tot stand te brengen.

~ End Article and Begin Conversation ~

Comments are closed.

Search this Site


[]